GOD HEEFT EEN LICHAAM

Heel vroeger lazen wij in de katechismus de vraag:
Kunnen wij God zien?
En we leerden het antwoord van buiten:
Neen, wij kunnen God niet zien, want Hij heeft geen lichaam.
Veel kinderen snapten niets van dat antwoord
en  zij gaven dan als antwoord:
Neen, wij kunnen God niet zien,
want Hij heeft geen licht aan.
Een flauw grapje, maar hebt u het
al eens gelegd op dit evangelie?
Dan is het ineens geen flauw grapje meer,
dan wordt het ontzettend waar.

Als we aan de hand van dit evangelie
een nieuwe katechismus gaan maken,
blijkt op iedere vraag datzelfde antwoord te komen:
Hij heeft geen licht aan;
Hij leeft in het duister;
Hij is niet te herkennen,
Hij houdt zichzelf verborgen.
Hij heeft geen licht aan, maar Hij heeft wel een lichaam,
ook al zei de vroegere katechismus van niet.

Eerste vraag: Heeft God wel eens honger?
Ja, God heeft wel eens honger.
Kunnen wij Hem te eten geven?
Ja, wij kunnen Hem te eten geven.

Heeft God wel eens dorst?
Ja, God heeft wel eens dorst.
Kunnen wij Hem te drinken geven?
Ja, wij kunnen Hem te drinken geven.

Is God een vreemdeling?
Ja, God is een vreemdeling.
Kunnen wij God een thuis geven?
Ja, wij kunnen God een thuis geven.

Is God wel eens naakt?
Ja, God is wel eens naakt.
Kunnen wij Hem kleden?
Ja, wij kunnen Hem kleden.

Is God wel eens ziek?
Ja, God is wel eens ziek.
Kunnen wij bij Hem op ziekenbezoek?
Ja, wij kunnen bij Hem op  ziekenbezoek.

Zit God wel eens in de gevangenis?
Ja, God zit wel eens in de gevenagenis.
Kunnen wij Hem daaruit bevrijden?
Ja, wij kunnen Hem daaruit bevrijden.

Dat is de katechismus van dit evangelie.
En wij zullen het allemaal wel hierover eens zijn,
dat dit geen gespeel met woorden is,
dat je dit niet met een korreltje zout moet nemen;
wij kunnen hiermee maar één ding doen:
dit van buiten gaan leren
en God eten geven, en drinken,
en God gaan aankleden en Hem gaan bezoeken en bevrijden.

Natuurlijk zullen mensen die daar nog geen zin in hebben
nog wat door willen praten in de gespreksgroep,
in de bijbelclub of in de retraite,
om dan telkens te vragen:
wanneer had God dan honger,
wanneer had Hij dan dorst,
wanneer was Hij dan vreemdeling,
wanneer was Hij dan ziek,
wanneer zat Hij in de gevangenis?
Mensen die willen doorpraten,
blijven alsmaar deze vragen stellen,
vandaag, en morgen en overmorgen
tot op de dag van het laatste oordeel.

Dat is heel jammer, want “laatste” oordeel betekent
dat alles wat je daarna nog wilt doen, te “laat” is;
want na het laatste kan er geen later meer komen.

Dus aan mensen die er nog over willen doorpraten
wanneer God dan honger heeft en dorst en al dat andere,
kunnen wij het beste dit zeggen:
de Grieken hadden een tempel die Pántheon heette.
Dat betekent: tempel van alle Goden.
Ook het christendom heeft een Pántheon.
En in dat Pántheon zijn mensen die honger hebben,
dorst, ziekte, naaktheid, geen thuis en gevangenschap.
Laten wij God daar aanbidden.
Het lijken net mensen,
Maar als God straks zijn licht aansteekt,
dan zal blijken dat Hij het was.
Nee, het was niet juist dat in de vroegere katechismus stond:
wij kunnen God niet zien, want Hij heeft geen lichaam.
Hij heeft wel een lichaam,
en straks doet Hij het licht aan.
Jammer als wij Hem dan pas zien.

 

Bezoekersteller

De teller is gestart op
31 oktober 2005

U bent bezoeker